Werknemers Login Bel een vestiging zoeken

Vragen? Bel Omnyacc in

0223 - 68 86 00

Locatie Kooypunt

0223 - 62 82 84

Locatie drs. F. Bijlweg

023 - 528 32 54

072 - 572 06 26

0229 - 27 19 94

058 - 8200900

0222 - 31 54 44

0228 - 56 10 10

Special regeerakkoord 2017

12 oktober 2017

Op dinsdag 10 oktober 2017 presenteerden de partijen VVD, CDA, D66 en CU hun regeerakkoord 'Vertrouwen in de toekomst'. Het nieuwe kabinet wil de koopkracht voor de middenklasse verbeteren, werken meer lonend maken en de arbeidszekerheid vergroten. Dat leidt tot een groot aantal voorstellen voor wijzigingen in het belastingstelsel. In dit document zijn de plannen kort verwoord.

Let op!

Uiteraard geldt voor alles wat u in dit document leest, dat er nog wetsvoorstellen moeten worden gemaakt die behandeld en goedgekeurd moeten worden in het parlement. Het is nog niet duidelijk wanneer de voorstellen ingaan, tenzij anders is vermeld.

1 Sterke wijziging belastingtarieven

Het kabinet wil het belastingstelsel hervormen om een aantal doelen te bereiken: de verschillen in fiscale behandeling tussen een- en tweeverdieners verkleinen, werken meer belonen voor mensen met een middeninkomen, vervuiling belasten, belastingontwijking aanpakken en het fiscale vestigingsklimaat verbeteren voor bedrijven die in Nederland daadwerkelijk economische activiteiten en banen genereren.

De belastingtarieven zijn een belangrijk instrument om de doelen te bereiken. De voorstellen voor de tarieven zijn hierna samengevat.

1.1 Inkomstenbelasting

A. Invoering vlaktaks in de inkomstenbelasting

Voorgesteld tarief inkomstenbelasting / premies volksverzekeringen 2019:

Schijf

  • 1e schijf
  • 2e schijf

Belastbaar inkomen meer dan

  • -
  • € 68.601

Maar niet meer dan

  • € 68.600
  • -

Tarief 2019

  • 36,93%
  • 49,5%

 

 

 

Deze percentages zijn inclusief premies volksverzekeringen.

Net zoals in de huidige situatie betalen AOW-gerechtigden geen AOW-premie. Hierdoor gaan voor deze groep drie belastingschijven bestaan.

Het inkomensbeginpunt van de tweede schijf wordt gedurende de kabinetsperiode niet geïndexeerd en blijft gelijk aan (ongeveer) € 68.600. Het beginpunt is gerelateerd aan het beginpunt van de hoogste schijf in 2018.

B. Aanpassing heffingskortingen

Algemene heffingskorting
De algemene heffingskorting wordt in 2021 met ongeveer € 350 verhoogd. In 2018 bedraagt de algemene heffingskorting maximaal € 2.265 (voor iemand die jonger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd).

Arbeidskorting
De maximale arbeidskorting wordt verhoogd met ongeveer € 365 (de maximale arbeidskorting in 2018 bedraagt € 3.249), maar wordt sneller afgebouwd.

Ouderenkorting
De ouderenkorting wordt verhoogd met ongeveer € 160 (de maximale ouderenkorting in 2018 bedraagt € 1.418). Op basis van de huidige regels wordt de ouderenkorting bij een inkomen rond de € 36.057 verminderd naar € 71. Het voorstel is om een geleidelijke inkomensafhankelijke afbouw te introduceren.

Inkomensafhankelijke combinatiekorting
De vaste voet (voor 2018 is € 4.895 voorgesteld) verdwijnt en het opbouwpercentage wordt verhoogd naar 11,45%. De maximale inkomensafhankelijke combinatiekorting blijft gelijk, maar wordt al bij een lager inkomen bereikt.

Afschaffen inkomensafhankelijke combinatiekorting en arbeidskorting bij ziektewetuitkeringen
De inkomensafhankelijke combinatiekorting en de arbeidskorting zijn niet meer van toepassing bij ziektewetuitkeringen zonder dienstverband. Uitkeringen in het kader van de Werkloosheidswet en de Ziektewet worden daardoor gelijk behandeld. Deze maatregel geldt voor nieuwe gevallen.

Geleidelijk afschaffen overdraagbaarheid inkomensafhankelijke combinatiekorting en arbeidskorting
In lijn met de afbouw van de uitbetaling van de algemene heffingskorting tegen het partnerinkomen, wordt ook de uitbetaling van de inkomensafhankelijke combinatiekorting en arbeidskorting tegen het partnerinkomen afgebouwd.

C. Verhoging tarief aanmerkelijk belang (box 2)

Het tarief in box 2 wordt in 2020 verhoogd naar 27,3% en in 2021 naar 28,5%.

Het huidige tarief bedraagt 25%. Dit betekent dat de belastingheffing op inkomen uit aanmerkelijk belang, zoals dividenduitkeringen en resultaat bij verkoop van aanmerkelijkbelangaandelen, wordt verhoogd.

Tip:
Indien de verhoging door de regering wordt goedgekeurd en u wilt een dividenduitkering doen, doet u dat dan uiterlijk in 2019. Zo kunt u de dividenduitkering tegen een tarief van 25% uitbetalen. Keert u in 2020 € 100.000 dividend uit, dan kost u dat € 2.300 meer aan belastingheffing ten opzichte van 2019.

D. Aanpassing belastingvrij vermogen box 3

Het belastingvrije vermogen in box 3 wordt per 1 januari 2018 aangepast naar € 30.000 per belastingplichtige (voor partners in totaal € 60.000). In 2017 is de belastingvrije voet € 25.225 per belastingplichtige.

Daarnaast wordt sneller aangesloten op het werkelijke rendement en gaat het kabinet een voorstel doen om vermogensrendementsheffing op basis van het werkelijke rendement te laten plaatsvinden.

1.2 Vennootschapsbelasting

In eerdere belastingplannen is aangekondigd dat met ingang van 2018 de eerste schijf van de vennootschapsbelasting wordt verlengd van € 200.000 naar € 250.000. In het regeerakkoord wordt dit besluit teruggedraaid. Dit betekent dat in 2018 het tarief tot € 200.000 nog steeds 20% bedraagt.

Daarnaast wordt vanaf 2020 het tarief in de vennootschapsbelasting verlaagd. Het voorstel is als volgt:

Resultaat

  • -- tot € 200.000
  • € 200.001 tot --

Tarief 2019

  • 19%
  • 24%

Tarief 2020

  • 17,5%
  • 22,5%

Tarief 2021

  • 16%
  • 21%

Innovatiebox
Het tarief van de Innovatiebox wordt per 1 januari 2018 verhoogd van 5% naar 7%.

Tip:
Laat, indien nog mogelijk, in 2017 resultaat vallen in de Innovatiebox. U kunt dan gebruikmaken van een lager belastingtarief.

1.3 Btw en tabaksaccijns

Om de belastingverlaging in de inkomstenbelasting mogelijk te maken wordt voorgesteld om per 1 januari 2019 het lage btw-tarief te verhogen van 6% naar 9%. Dit betekent dat de btw op bijvoorbeeld levensmiddelen, sportbeoefening en recreatie wordt verhoogd.

Het hoge btw-tarief blijft 21%.

De tabaksaccijns wordt met ingang van 1 januari 2018 verhoogd (met hoeveel is nog niet bekend).

1.4 Afschaffen dividendbelasting

Naar alle waarschijnlijkheid wordt per 1 januari 2019 de dividendbelasting afgeschaft. De dividendbelasting bedraagt 15% en is in binnenlandse situaties een voorheffing op de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting.

Dat zou betekenen dat in 2019 een dividenduitkering uit een bv, waarin u een aanmerkelijk belang heeft, geheel belast wordt tegen het inkomstenbelastingtarief van 25% van box 2.

Tip:
Wanneer u een dividenduitkering vanuit een bv waarin u een aanmerkelijk belang heeft ontvangt, vraag dan tijdig een aanslag inkomstenbelasting aan om belastingrente te voorkomen.

Let op!
Er is dus niet minder belasting verschuldigd over de dividenduitkering die ontvangen wordt door een dga! De heffing vindt geheel plaats in de inkomstenbelasting.

1.5 Invoeren bronheffing royalty's en rente

De afschaffing van de dividendbelasting betekent voor buitenlandse ondernemingen dat zij geen last meer hebben van niet te verrekenen dividendbelasting. Daardoor wordt Nederland voor buitenlandse ondernemingen aantrekkelijker.

Tegelijkertijd wil het kabinet ervoor zorgen dat Nederland niet te aantrekkelijk wordt voor zogenaamde brievenbusfirma's. Daarom wordt een bronbelasting ingevoerd op royalty's en rente die wordt betaald aan gerechtigden die wonen of gevestigd zijn in landen met zeer lage belastingheffing.

1.6 Toeslagen en kindgebondenregelingen

De kinderopvangtoeslag en kinderbijslag worden verhoogd. Daarnaast wordt het kindgebonden budget voor partners later afgebouwd, waardoor langer recht bestaat op het budget.

De huurtoeslag wordt aangepast en vereenvoudigd. De toeslag wordt bij een bepaalde inkomensgrens niet hard afgebouwd, zoals nu het geval is, maar geleidelijk.

Daarnaast zal de eigen bijdrage in de huurtoeslag vanaf 2019 worden gekoppeld aan de huurprijsontwikkeling.

2 Eigen woning

2.1 Beperking hypotheekrenteaftrek

Het tarief in de inkomstenbelasting bestaat vanaf 1 januari 2019 uit twee tarieven. De wens van het kabinet is om alle aftrekposten die in de inkomstenbelasting bestaan, versneld naar het tarief van de eerste schijf te brengen. Aftrekposten die vallen in de tweede schijf van 49,5% worden in aftrek gebracht tegen het tarief dat geldt voor de hypotheekrente. Vanaf 1 januari 2020 wordt het tarief van de aftrek jaarlijks verlaagd met 3%.

Dit betekent voor de aftrek van hypotheekrente en andere aftrekposten in de inkomstenbelasting dat de tarieven als volgt dalen:

Jaar

  • 2020
  • 2021
  • 2022
  • 2023

Percentage

  • 46%
  • 43%
  • 40%
  • 37%

2.2 Verlaging eigenwoningforfait

Ter compensatie van de versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek wordt het eigenwoningforfait verlaagd met 0,15%.

2.3 Geleidelijke afschaffing aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

Momenteel wordt als een belastingplichtige geen eigenwoningschuld heeft, het eigenwoningforfait niet bij het inkomen opgeteld. Deze regeling is in 2005 ingevoerd om woningbezitters te stimuleren om hun schuld voor de eigen woning af te lossen.

Het voorstel is om deze regeling in 30 jaar met gelijke stappen af te schaffen.

3 Ondernemers

3.1 Beperking afschrijving gebouwen

Wanneer een pand in eigen gebruik is, mag in de vennootschapsbelasting het pand worden afgeschreven tot 50% van de WOZ-waarde, de zogenaamde bodemwaarde. Vanaf 1 januari 2019 gaat een bodemwaarde van 100% van de WOZ-waarde gelden.

3.2 Versobering verliesverrekening

Een verlies is in de vennootschapsbelasting te verrekenen met de winst van het voorgaande jaar of met winsten van de volgende negen jaren. Deze verliesverrekening wordt beperkt tot zes jaren.

3.3 Beperking renteaftrek

In de vennootschapsbelasting gelden renteaftrekbeperkingen. Deze maatregelen zijn veelal gericht om winstdrainage tegen te gaan. Per 1 januari 2019 wordt de maatregel ingevoerd dat de rente niet langer meer aftrekbaar is voor zover het saldo van de verschuldigde en ontvangen (groeps- en derden-) rente meer bedraagt dan maximaal 30% van het brutobedrijfsresultaat. Er is wel een drempel van € 1 miljoen aan rente.

Enkele van de huidige renteaftrekbeperkingen worden afgeschaft. Het is nog niet duidelijk welke bepalingen dit zijn. Duidelijk is wel dat de af te schaffen bepalingen niet de bepalingen zullen zijn die zijn gericht op het tegengaan van winstdrainage.

3.4 Kilometerheffing voor vrachtwagens

In navolging van de ons omringende landen gaat Nederland ook een kilometerheffing invoeren voor vrachtwagens. De tolgelden worden geïnd via een systeem dat gelijk is aan het systeem van de landen die reeds de kilometerheffing hebben ingevoerd. Hierdoor worden de kosten voor ondernemers beperkt.

De gelden die worden ontvangen uit de tolgelden worden naar de sector teruggesluisd door middel van verlaging van de motorrijtuigenbelasting op vrachtwagens en door meer geld beschikbaar te stellen voor innovatie en verduurzaming.

3.5 Zelfstandigenaftrek verlaagd

Aftrekposten in de inkomstenbelasting mogen uiteindelijk alleen tegen het tarief in de eerste schijf (36,93%) worden afgetrokken. Dit heeft ook gevolgen voor de zelfstandigenaftrek. Wordt de zelfstandigenaftrek in aftrek gebracht tegen het tarief van de tweede schijf, dan wordt vanaf 1 januari 2020 het tarief van de aftrek jaarlijks verlaagd met 3%.

4 Werkgever

De regeringspartijen hebben de ambitie dat meer mensen aan het werk kunnen gaan met arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Werken moet lonender worden en voor werkgevers moet het aantrekkelijker worden om werknemers vast in dienst te nemen. Het regeerakkoord speelt in op deze ambitie met een aantal voorstellen.

4.1 Ontslagrecht: introductie cumulatiegrond

Onder het huidige recht is ontslag op basis van meerdere gronden niet mogelijk. Een werkgever moet een ontslaggrond kiezen: bijvoorbeeld disfunctioneren of een verstoorde arbeidsrelatie. Vaak is een van deze gronden onvoldoende om via de rechter toestemming te krijgen voor ontslag.

Het kabinet introduceert een nieuwe ontslaggrond: de cumulatiegrond. Hierdoor wordt het mogelijk om op basis van meerdere gronden ontslag aan te vragen, bijvoorbeeld disfunctioneren en een verstoorde arbeidsrelatie.

Hier staat wel tegenover dat de rechter aan de werknemer een ruimere transitievergoeding kan toekennen van maximaal de helft van de transitievergoeding (bovenop de bestaande transitievergoeding).

4.2 Transitievergoeding

In het regeerakkoord is een aantal voorstellen opgenomen met betrekking tot de transitievergoeding waarop een werknemer recht heeft indien hij wordt ontslagen.

  • Werknemers hebben vanaf het begin van hun arbeidsovereenkomst recht op een transitievergoeding. Nu hebben ze pas recht op een transitievergoeding na twee jaar.
  • De transitievergoeding gaat 1/3 maandsalaris bedragen voor elk gewerkt jaar, ook voor arbeidsovereenkomsten die langer dan tien jaar duurden. Nu hebben werknemers met een dienstverband langer dan tien jaar recht op een transitievergoeding van een half maandsalaris per gewerkt dienstjaar (na hun tienjarig dienstverband). De overgangsregeling voor 50-plussers blijft gehandhaafd.
  • Op de transitievergoeding mogen onder voorwaarden scholingskosten in aftrek worden gebracht. De voorwaarden worden uitgebreid, zodat ook scholingskosten die de werkgever binnen de eigen organisatie heeft gemaakt voor het bevorderen van een bredere inzetbaarheid van de werknemer binnen de organisatie in mindering mogen worden gebracht.
  • Bij ontslag vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid (ziekte langer dan twee jaar) is een werkgever momenteel een transitievergoeding verschuldigd. Deze vergoeding wordt door de overheid gecompenseerd.
  • In geval van ontslag om bedrijfseconomische redenen is geen transitievergoeding verschuldigd op het moment dat een cao-regeling van toepassing is.
  • De overbruggingsregeling transitievergoeding kleine werkgevers wordt ruimer en eenvoudiger.
  • In geval een werkgever zijn bedrijf beëindigt vanwege ziekte of pensionering wordt onder voorwaarden een compensatie gegeven. Hiervoor moet nog een voorstel worden gemaakt.

4.3 Aanpassing tijdelijke contracten

De toekomstige regeringspartijen signaleren dat werknemers gevangen kunnen zijn in een draaideur van tijdelijke contracten waardoor zij geen vast dienstverband krijgen. Om dit te voorkomen, stellen zij het volgende voor:

  • Wanneer tussen twee arbeidsovereenkomsten een periode zit van minimaal zes maanden, kan een werkgever aan een nieuwe cyclus beginnen van tijdelijke arbeidsovereenkomsten. Dit wijzigt niet. Wat wel wijzigt, is dat hiervan kan worden afgeweken indien in een sector sprake is van terugkerend tijdelijk werk dat ten hoogste gedurende een periode van negen maanden kan worden verricht.
  • Momenteel is de periode waarin tijdelijke overeenkomsten kunnen worden gesloten twee jaar. Voorstel is om deze periode te verlengen naar drie jaar.
  • De proeftijd wordt aangepast om overeenkomsten voor onbepaalde tijd aantrekkelijker te maken voor werkgevers. Wordt door een werkgever direct een contract voor onbepaalde tijd aangeboden, dan mag een proeftijd van vijf maanden overeengekomen worden. Voor arbeidsovereenkomsten die langer zijn dan twee jaar, wordt de maximale proeftijd drie maanden. Voor de overige gevallen blijft de huidige proeftijd van een maand van toepassing.

4.4 Scherpere regels voor payrolling en nulurencontracten

Payrolling blijft mogelijk, maar de regeringspartijen zijn van mening dat payrolling toegespitst moet zijn op het ontzorgen van de werkgever en niet op het concurreren op arbeidsvoorwaarden. Er komt een uitgewerkt voorstel waarin het soepelere arbeidsrechtelijke regime van de uitzendovereenkomst buiten toepassing wordt verklaard en werknemers, met betrekking tot zowel primaire als secundaire arbeidsvoorwaarden, ten minste gelijk moeten worden behandeld met werknemers bij de inlener.

Ook nulurencontracten moeten weer meer naar het oorspronkelijke doel worden teruggebracht. In de praktijk blijkt dat vaak sprake is van permanente beschikbaarheid van de werknemer, terwijl de aard van de werkzaamheden dit niet vereist. In het regeerakkoord is opgenomen dat een werknemer niet altijd verplicht is om direct of binnen een bepaalde termijn gehoor te geven aan een oproep. Ook kan bij afzegging door de werkgever recht op loon ontstaan.

4.5 Lagere WW-premie?

Het kabinet gaat onderzoeken of een premiedifferentiatie in de WW kan bijdragen aan het aantrekkelijker maken van een vast dienstverband. Bijvoorbeeld door een lagere WW-premie te heffen in de eerste zes maanden als direct een contract voor onbepaalde tijd wordt aangeboden.

4.6 Verlichting loondoorbetalingsverplichting

De loondoorbetalingsverplichting voor kleine werkgevers (tot 25 werknemers) wordt verkort van twee naar één jaar. Om dit te bekostigen, wordt een uniforme lastendekkende premie doorberekend aan de kleine werkgevers.

4.7 Verkorting termijn premiedifferentiatie WGA

Voor alle werkgevers wordt de periode waarvoor de premiedifferentiatie geldt in de WGA, verkort van tien naar vijf jaar. Dit verkleint het financiële risico voor werkgevers aanzienlijk. Na deze vijf jaar wordt een collectieve, uniforme premie doorberekend.

4.8 Partnerverlof

Wanneer de partner van een werknemer een kind krijgt, heeft deze werknemer momenteel recht op twee dagen vrij na de geboorte. Per 1 januari 2019 heeft de werknemer recht op vijf vrije dagen. Daarnaast is vanaf 1 juli 2020 een speciaal aanvullend verlof mogelijk. De werknemer mag dan in het eerste halfjaar na de geboorte vijf weken verlof opnemen tegen 70% van het loon. Hij/zij ontvangt dan een uitkering van het UWV.

4.9 In dienst nemen arbeidsbeperkte werknemer

Door de invoering van de Participatiewet ontvangt een werkgever die onder bepaalde voorwaarden een arbeidsbeperkte werknemer in dienst neemt een loonkostensubsidie. De loonkostensubsidie wordt vervangen door een loondispensatie. Werkgevers kunnen daarmee onder het wettelijk minimumloon betalen, al naar gelang de verdiencapaciteit van de werknemer. De gemeente zal het loon gaan aanvullen.

4.10 Duurzame inzetbaarheid

Het regeerakkoord zet middelen in om de duurzame inzetbaarheid van werknemers te bevorderen. Hierbij wordt gedacht aan het stimuleren van scholing en het bewerkstelligen van een cultuuromslag in een ambitieus leeftijdsbewust personeelsbeleid.

4.11 Duur 30%-regeling verkort naar 5 jaar

Door de 30%-regeling kunnen werkgevers extraterritoriale kosten die een werknemer maakt die in het buitenland verblijft of vanuit het buitenland naar Nederland komt voor zijn werk, onbelast vergoeden. Tot 1 januari 2019 is de termijn waarin de werkgever gebruik kan maken van deze regeling acht jaar. Vanaf 1 januari 2019 wordt deze termijn verkort naar vijf jaar.

Let op!
Een werkgever moet de termijnen waarin hij gebruikmaakt van de 30%-regeling goed in de gaten houden om naheffing te voorkomen.

5 Ondernemerschap – zelfstandige Afschaffing Wet DBA

In 2016 is de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) ingevoerd ter vervanging van de Verklaring Arbeidsrelaties (VAR). De DBA heeft in plaats van de bedoelde duidelijkheid gezorgd voor onrust bij opdrachtgevers en zelfstandig ondernemers. Daarom wordt in het regeerakkoord voorgesteld om de DBA te vervangen. Er komt een nieuwe wet die enerzijds opdrachtgevers van echte zelfstandigen zekerheid biedt dat er geen sprake is van een dienstbetrekking en anderzijds schijnzelfstandigheid (vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt) voorkomt.

In dit kader wordt een aantal regels geïntroduceerd:

  • Voor zzp'ers wordt bepaald dat altijd sprake is van een arbeidsovereenkomst bij een laag tarief in combinatie met een langere duur van de overeenkomst of een laag tarief in combinatie met het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten. Onder een laag tarief wordt verstaan: een tarief dat overeenkomst met loonkosten tot 125% van het wettelijk minimumloon of met de laagste loonschalen in cao's. Er kan hierbij gedacht worden aan een uurtarief dat ligt tussen de € 15 en € 18 per uur. Een langere duur is gedefinieerd als langer dan drie maanden.
  • Voor een zzp'er die werkzaamheden tegen een hoog tarief (lees meer dan € 75 per uur) verricht, niet-reguliere werkzaamheden verricht of maximaal een jaar werkzaam is voor de opdrachtgever, wordt een 'opt-out' ingevoerd. Opdrachtgever en zzp'er komen dan overeen dat geen loonheffing wordt ingehouden.
  • Voor de zzp'er die tussen hoog en laag in zit, wordt de opdrachtgeversverklaring ingevoerd. Deze verklaring geeft opdrachtgevers vooraf duidelijkheid en zekerheid bij inhuur van de zzp'er en vrijwaart hen voor naheffing loonbelasting en premies werknemersverzekeringen. De verklaring wordt verkregen doordat de opdrachtgever via een webmodule vragen beantwoordt. Indien de vragen niet naar waarheid worden beantwoord, wordt de opdrachtgever alsnog niet gevrijwaard.

Het is de bedoeling om met deze regels nader invulling te geven aan het begrip gezagsverhouding, om in de Wet zelfstandig ondernemerschap te verankeren en om duidelijkheid te krijgen of en hoe de verzekeringsgraad bij arbeidsongeschiktheid bij zelfstandigen verhoogd kan worden.

6 Pensioen

Nederland heeft volgens het regeerakkoord een sterk pensioenstelsel. Veranderingen op de arbeidsmarkt, de stijgende levensverwachting, de financiële crisis en de lage rente hebben echter ook kwetsbaarheden blootgelegd. Het kabinet wil daarom het pensioenstelsel gaan hervormen. Ze wil daarbij aansluiting zoeken bij de voorstellen zoals die eerder zijn gedaan door de SER in 2015 en 2016.

De SER komt op korte termijn met een voorstel, waarbij rekening gehouden wordt met het volgende:

  • Een verplichte leeftijdsonafhankelijke premie.
  • Pensioen blijft een levenslange uitkering.
  • Ontwikkeling van een nieuw pensioencontract met bijvoorbeeld een persoonlijk pensioenvermogen.
  • Invoering van een collectieve buffer, waarin overrendementen worden gestald die kunnen worden ingezet bij onvoorziene omstandigheden.
  • Meer keuzevrijheid voor deelnemers.
  • Adequate dekking voor het nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen.
  • Goede overgangsregeling van het oude naar een nieuw pensioenregime.

7 Energiebelasting

De belasting op energie gaat omhoog. In het regeerakkoord staan voorstellen om milieuvervuilend gedrag te ontmoedigen. Dit wordt bereikt door invoering van een CO2-minimumprijs in de elektriciteitssector, verhoging van de energiebelasting voor het verbranden en storten van afvalstoffen, verlaging van de belastingvermindering energiebelasting en nieuwe energiebelastingtarieven voor aardgas en elektriciteit.\

8 Overige maatregelen

Het kabinet heeft naast de hiervoor genoemde (fiscale) voorstellen ook nog andere plannen gepresenteerd die wellicht voor u van belang kunnen zijn.

8.1 Vrijwilligersvergoeding

Vrijwilligers kunnen nu onder voorwaarden een onbelaste onkostenvergoeding van maximaal € 1.500 per kalenderjaar ontvangen. Deze vergoeding wordt per 1 januari 2019 verhoogd naar € 1.700 per kalenderjaar.

8.2 Beleggingsinstellingen

Door afschaffing van de dividendbelasting mogen beleggingsinstellingen niet meer direct beleggen in vastgoed.

8.3 Eigen risico zorg

Het eigen risico bij zorgverzekeringen wordt gedurende de kabinetsperiode (2017–2021) bevroren op minimaal € 385. De zorgpremie kan daardoor wel gaan stijgen.

8.4 Collegegeld

Het collegegeld wordt voor het eerste jaar van het hoger onderwijs (HBO/WO) gehalveerd. Om aanwas van leraren te stimuleren wordt het collegegeld voor PABO-opleidingen de eerste twee jaar gehalveerd.

8.5 Verlichting regeldruk en administratieve lasten

Wet- en regelgeving wordt gemoderniseerd, zodat bedrijven met hun diensten en producten beter kunnen inspelen op maatschappelijke en technologische veranderingen. Regeldruk en administratieve lasten worden beperkt.

8.6 Emissieloze auto's

Het streven van het kabinet is om uiterlijk in 2030 alle nieuwe auto's emissieloos te laten zijn. De uitfasering van de fiscale stimulering van emissieloze auto's wordt in lijn gebracht met deze ambitie. In het regeerakkoord is niet opgenomen op welke wijze de uitfasering in lijn wordt gebracht met die ambitie.

Deel online

Volg @Omnyacc op twitter

Nieuwsbrief

Velden gemarkeerd met een* zijn verplicht
X

Omnyacc bestaat 25 jaar!

Omnyacc 25 jaar

Het samenwerkingsverband Omnyacc, met 8 vestigingen en 220 specialisten, bestaat 25 jaar! Hoewel enkele vestigingen afzonderlijk al langer bestaan, is het startschot van de samenwerking in oktober 1992 gegeven. Onze naam met het woord Omny, staat voor veelzijdig, is toepasselijker dan ooit. Er zijn in de jaren diverse diensten bijgekomen om u als (potentiële) klant nog beter te helpen. Nieuwsgierig naar:

  • De highlights van 25 jaar Omnyacc
  • Diverse (25) tips om uw voordeel mee te doen
  • Interessante en inspirerende interviews

Nieuwsgierig naar:

  • De highlights van 25 jaar Omnyacc
  • Diverse (25) tips om uw voordeel mee te doen
  • Interessante en inspirerende interviews
Download dan onze special!